100VolksuniversiteitDen Bosch · 1926–2026
← Terug naar de jubileumsite
VOORLOPIG HOOFDVERHAAL · 100 JAAR VU DEN BOSCH

Een monument zonder stenen: 100 jaar Volksuniversiteit Den Bosch

Over volksverheffing, veranderende tijden en de vraag waarom verschillende vormen van leren zo verschillend worden georganiseerd en gefinancierd.

In de vorige blogs kwam ik via de verbouwing van Huis73 terecht bij een bredere vraag over publieke voorzieningen. Wie betaalt, wie gebruikt ze, en vooral: wat krijgen we voor de extra investeringen boven een sobere basisvoorziening? Aan het einde dook daarbij ineens een andere Bossche instelling op: de Volksuniversiteit. Voor veel lezers vermoedelijk niet meer dan een naam. Dat verdient enige toelichting, want dit jaar bestaat de Volksuniversiteit Den Bosch precies honderd jaar. Honderd jaar in dezelfde stad is op zichzelf al iets om trots op te zijn. Een monument hoeft niet altijd van steen te zijn.

1926: kennis voor mensen voor wie kennis niet vanzelfsprekend was

De Bossche Volksuniversiteit werd op 21 mei 1926 opgericht. Het initiatief kwam van spoorwegman Chr. van Alem, samen met de R.K. Werkliedenbond. Het oorspronkelijke doel was opvallend helder: meer algemene ontwikkeling brengen onder de arbeidersstand. Mensen hadden weinig onderwijs gehad en dus bracht je kennis naar hen toe. Het begon met wekelijkse voordrachten op woensdagavond, ondersteund met de toen moderne techniek van lantaarnplaatjes. Het motto werd Kunst, Onderwijs en Ontspanning en de Bossche Volksuniversiteit groeide uit tot een stevige lokale instelling.

Het oorspronkelijke idee was in essentie emancipatoir. Niet iedereen had toegang tot middelbaar of hoger onderwijs. Arbeiders werkten lange dagen, opleidingen waren voor grote groepen onbereikbaar en maatschappelijke kansen werden sterk bepaald door het milieu waarin iemand geboren was. Kennis kon helpen om mensen mondiger, zelfstandiger en weerbaarder te maken. Het ging daarmee om meer dan een aardige avondcursus: ontwikkeling was een middel om toegang te krijgen tot een wereld die voor een belangrijk deel van de bevolking gesloten bleef.

Een missie die door haar eigen succes veranderde

De Volksuniversiteit veranderde vanzelfsprekend met de samenleving mee. Het onderwijsniveau steeg, steeds meer kinderen uit arbeidersgezinnen gingen naar middelbare scholen, mbo, hbo en universiteit en kennis werd steeds toegankelijker. Daarna kwamen televisie, internet, YouTube, online opleidingen en inmiddels kunstmatige intelligentie. Voor toegang tot informatie hoeft niemand meer te wachten tot woensdagavond.

Daarmee veranderde ook het publiek. Volksuniversiteiten ontwikkelden zich geleidelijk van emancipatoire instellingen voor mensen met weinig toegang tot onderwijs naar aanbieders van betaalbaar volwassenenonderwijs voor mensen die juist graag blijven leren. Talen, kunstgeschiedenis, filosofie, psychologie, creativiteit en persoonlijke ontwikkeling kregen een belangrijke plaats. Ook in Den Bosch is het huidige publiek relatief oud en bestaat het voor een belangrijk deel uit ervaren en goed geschoolde cursisten. Daar is niets mis mee. Nieuwsgierigheid houdt gelukkig niet op bij het pensioen. Het betekent wel dat het huidige publiek niet meer vanzelfsprekend samenvalt met de groep waarvoor de Volksuniversiteit ooit werd opgericht.

Het klassieke model staat onder druk

Ook financieel wordt zichtbaar dat het oude model niet zonder meer toekomstbestendig is. De Volksuniversiteit Den Bosch ontvangt geen structurele exploitatiesubsidie. Cursisten betalen cursusgeld, docenten ontvangen een relatief bescheiden vergoeding en het bestuur werkt onbezoldigd. Het uitgangspunt is dat het cursusaanbod zoveel mogelijk uit de eigen inkomsten wordt betaald.

Dat wordt steeds lastiger. Kosten van docenten, lokalen, organisatie, communicatie en automatisering stijgen, terwijl het traditionele publiek vergrijst en niet onbeperkt kan blijven groeien. De cursusinkomsten dekken de feitelijke kosten inmiddels niet meer volledig. Een toevallig goed of slecht financieel jaar verandert weinig aan die onderliggende ontwikkeling.

Dit is bovendien geen uitsluitend Bossch verschijnsel. Volksuniversiteiten in Nederland worstelen al langer met veranderende doelgroepen, teruglopende deelnemersaantallen en de vraag welke positie zij nog innemen in een wereld waarin leren vrijwel overal beschikbaar is. Sommige Volksuniversiteiten zijn inmiddels verdwenen. De vraag is daarom breder dan de financiële positie van één lokale stichting: welke functie heeft een Volksuniversiteit honderd jaar na haar ontstaan nog?

Niet nóg een cultureel cursusinstituut

Een voor de hand liggend antwoord zou zijn meer van hetzelfde aanbieden: meer talen, meer lezingen, meer kunst, meer cultuur en meer marketing om de bestaande doelgroep vast te houden. Daarmee zou de Volksuniversiteit één aanbieder worden tussen bibliotheken, culturele instellingen, HOVO, musea, commerciële cursusbedrijven en een vrijwel oneindig online aanbod.

Interessanter is teruggaan naar de oorspronkelijke missie zonder het programma van 1926 te kopiëren. Binnen de Bossche Volksuniversiteit wordt die gedachte samengevat als back to basics: niet proberen een tweede culturele ontmoetingsplek te worden, maar opnieuw beginnen bij de oude vraag welke kennis en vaardigheden juist ontbreken bij mensen die maatschappelijk minder gemakkelijk meekomen.

Het antwoord hoeft in 2026 helemaal niet primair kunst en cultuur te zijn. Iemand leren zijn kinderen zelf te knippen kan jaarlijks geld besparen. Hetzelfde geldt voor kleine reparaties in huis, goedkoop en gezond koken, administratie en vaste lasten beheersen, digitaal zelfstandig worden of tweedehands spullen herstellen. Andere mogelijkheden liggen bij solliciteren, onderhandelen, omgaan met tegenslag, met eenvoudige middelen ondernemen of een praktische vaardigheid ontwikkelen waarmee iemand iets kan bijverdienen.

Dat zijn geen spectaculaire activiteiten, maar het maatschappelijk effect kan heel concreet zijn. De moderne vertaling van volksontwikkeling zou daarmee kunnen verschuiven van algemene culturele ontwikkeling naar praktisch handelingsvermogen: kennis waarmee iemand zijn dagelijks leven iets gemakkelijker, goedkoper of zelfstandiger kan organiseren.

Juist deze doelgroep komt niet vanzelf

Daar zit meteen de moeilijkheid. De traditionele Volksuniversiteitscursist is relatief eenvoudig te bereiken. Zet een cursus Spaans of kunstgeschiedenis op de website, stuur een nieuwsbrief en geïnteresseerden melden zichzelf aan. Mensen die financieel of maatschappelijk klem zitten, slechte ervaringen hebben met onderwijs of weinig mentale ruimte overhouden, gedragen zich anders.

Onderzoek naar schaarste laat zien dat voortdurende zorgen over geld en bestaanszekerheid mentale bandbreedte in beslag nemen. Wie de hele dag bezig is met werk, rekeningen, gezondheid of problemen thuis, heeft ’s avonds niet automatisch nog energie om vrijwillig een cursus te zoeken. De mensen die praktische kennis mogelijk het hardst kunnen gebruiken zijn daardoor juist het moeilijkst via het normale cursusmodel te bereiken.

Dat vraagt actieve toeleiding en samenwerking met organisaties die deze mensen al kennen: wijkorganisaties, werkgevers, scholen, woningcorporaties, sociale teams of schuldhulp. Soms zal een eigen bijdrage laag moeten zijn, groepen kunnen kleiner zijn en uitval hoort erbij. Maatschappelijk kan zo’n activiteit interessant zijn, bedrijfseconomisch is het juist een lastig product. Een systeem dat vrijwel volledig afhankelijk is van cursusgelden trekt daarom vanzelf naar de deelnemer die zichzelf meldt, betaalt en weinig begeleiding nodig heeft.

Huis73 als interessante vergelijking

Daarmee komt de vergelijking met Huis73 terug. Niet omdat beide instellingen hetzelfde zouden zijn. Een openbare bibliotheek heeft wettelijke taken, een collectie, personeel, jeugdactiviteiten, leesbevordering, digitale ondersteuning en andere functies die de Volksuniversiteit niet heeft. Een vergelijking van de totale begrotingen zou daarom weinig zeggen.

De interessante vergelijking blijft die van de extra ambitie. Bij Huis73 ging het in de eerdere blogs niet om de vraag of Den Bosch een bibliotheek nodig heeft. Het gebouw moest sowieso worden gerenoveerd. De vraag was wat de stap van een sobere renovatie naar het veel bredere en ruimere concept extra kostte en wat die meerinvestering precies oplevert. In onze eerdere bierviltjesberekening kwam die extra ambitie, inclusief toekomstige exploitatie, uit in de orde van ongeveer één miljoen euro per jaar.

Daarvoor kreeg de stad onder andere aanzienlijk meer publieke ruimte en ongeveer 200 studieplekken in plaats van circa 90. Die studieplekken worden intensief gebruikt door scholieren en studenten. Voor de gebruiker is dat een aantrekkelijke voorziening: tafel, stoel, wifi, warmte, koeling, verlichting en een prettige omgeving, zonder directe betaling per gebruiksuur.

Dat is op zichzelf geen argument tegen die voorziening. Het roept wel een verdelingsvraag op. Waarom is voor de uitbreiding van een bestaande voorziening die door een grote groep gebruikers vanzelf wordt gevonden relatief gemakkelijk een structurele publieke financiering denkbaar, terwijl activiteiten die juist zijn bedoeld voor mensen die níét vanzelf naar leren en ontwikkelen toe komen veel moeilijker binnen een vanzelfsprekend financieringsmodel passen?

Ook de bibliotheek zoekt naar een nieuwe rol

Die vraag wordt interessanter doordat de bibliotheek zelf eveneens met een veranderende wereld te maken heeft. De fysieke boekuitleen staat al langere tijd onder druk, terwijl bibliotheken steeds meer activiteiten organiseren rond taal, digitale vaardigheden, ontmoeting, cultuur, maken, werken en studeren. De moderne bibliotheek is daardoor veel breder geworden dan het klassieke uitleenpunt.

Dat is een begrijpelijke ontwikkeling. Wanneer een traditioneel kernproduct minder dominant wordt, zoekt een organisatie naar nieuwe functies die aansluiten bij veranderende behoeften. Huis73 is daarvan een duidelijk voorbeeld: niet alleen boeken, maar ook verblijf, studie, ontmoeting en culturele activiteiten.

Daarbij blijft de vraag naar de meerinvestering relevant. De maatschappelijke waarde van lezen kan de basisbibliotheek rechtvaardigen, maar verklaart niet automatisch iedere extra vierkante meter of studieplek. De verbreding van een instelling kan verstandig zijn zonder dat iedere uitbreiding vanzelfsprekend dezelfde maatschappelijke waarde heeft.

Twee verschillende financieringswerelden onder één dak

Een aardige institutionele bijzonderheid is dat de Volksuniversiteit voor een deel van haar activiteiten juist gebruikmaakt van lokalen en dienstverlening van Huis73. Daarvoor wordt gewoon betaald, zoals dat hoort wanneer een organisatie ruimte en diensten inkoopt.

Tegelijk illustreert het de verschillende financieringsmodellen mooi: een organisatie die haar activiteiten voornamelijk uit cursusgelden en vrijwillige inzet financiert, maakt gebruik van een infrastructuur die voor een belangrijk deel collectief wordt bekostigd.

Daar hoeft niets vreemds of onrechtvaardigs aan te zijn. Het laat vooral zien dat twee organisaties die allebei woorden gebruiken als leren, ontwikkeling, taal en persoonlijke groei institutioneel totaal verschillend zijn georganiseerd. De ene activiteit is onderdeel geworden van een gevestigde publieke infrastructuur, de andere moet bij iedere cursus opnieuw voldoende betalende deelnemers vinden.

De relevante vergelijking is de marginale ambitie

Daarom heeft het weinig zin te vragen waarom de hele Volksuniversiteit niet op dezelfde manier wordt gefinancierd als Huis73. De interessantere vergelijking is welke extra maatschappelijke activiteit we bereid zijn gezamenlijk te ondersteunen.

Huis73: extra ambitieVolksuniversiteit: back to basics
UitgangspuntEen bestaande openbare bibliotheek verder verbredenEen bestaand cursusinstituut opnieuw richten op zijn oorspronkelijke emancipatoire missie
Extra activiteitMeer ruimte, verblijf, functies en studiecapaciteitActieve toeleiding naar praktische kennis en vaardigheden
Wie komt gemakkelijk?Onder meer veel scholieren, studenten en andere ervaren gebruikersVooral de traditionele geïnteresseerde cursist
Wie is moeilijker te bereiken?Ook hier bestaan groepen die weinig gebruikmaken van de voorzieningJuist de beoogde nieuwe doelgroep
Directe betaling gebruikerGeen betaling voor studeren en verblijfCursusgeld; voor nieuwe doelgroepen mogelijk juist een lagere drempel nodig
Zichtbare opbrengstGebouw, ruimte, bezetting en bezoekersKleine groepen en praktische individuele resultaten

De vergelijking zegt niet welke keuze beter is. Daarvoor zouden kosten, aantallen deelnemers en maatschappelijke effecten veel preciezer moeten worden onderzocht. Ze maakt wel zichtbaar dat beide activiteiten een totaal andere bestuurlijke logica kennen. Bij de ene bestaat een herkenbare infrastructuur waarin uitbreiding mogelijk is. Bij de andere moet eerst worden aangetoond dat een moeilijk bereikbare doelgroep überhaupt bereikt kan worden.

Een systeemvraag, geen verwijt

Daarmee verschuift de vraag ook weg van individuele organisaties. Huis73 doet wat van een professionele culturele instelling mag worden verwacht: nadenken over zijn toekomst, nieuwe functies ontwikkelen, bezoekers aantrekken en proberen daarvoor bestuurlijke steun te krijgen. De Volksuniversiteit zoekt eveneens naar een vorm die past bij een veranderende samenleving. Beide bewegingen zijn vanuit de organisatie zelf volkomen begrijpelijk.

Vanuit een Rudymentair perspectief is juist interessant wat er gebeurt wanneer zulke begrijpelijke beslissingen samen een systeem vormen. Bestaande instituties hebben wettelijke posities, professionele medewerkers, beleidsnetwerken en een vaste plaats in gemeentelijke begrotingen. Nieuwe of andersoortige activiteiten passen niet altijd vanzelf in zo’n structuur. Daardoor kan het eenvoudiger zijn een bestaande publieke voorziening verder uit te bouwen dan een heel ander instrument voor een moeilijk maatschappelijk probleem te ontwikkelen.

Dat hoeft niemand bewust zo te hebben ontworpen.

Een gebouw is gemakkelijker zichtbaar dan een mens

Mijn eigen hypothese begint bij een eenvoudig verschil: een gebouw is bestuurlijk gemakkelijker zichtbaar dan een mens. Een gebouw kan worden getekend, begroot, aanbesteed en geopend. Er is een planning en uiteindelijk een resultaat dat letterlijk kan worden bekeken. Het staat op een herkenbare plek in de stad, kan architectonische waardering krijgen en kan door andere steden worden bezocht.

Een activiteit waarbij mensen na verloop van tijd zelfstandiger worden, praktische vaardigheden leren of beter met hun huishoudbudget omgaan is minder zichtbaar. Het resultaat zit verspreid over individuele levens en wordt soms pas jaren later duidelijk. Bovendien is succes minder voorspelbaar. Sommige interventies werken, andere niet, deelnemers vallen uit en moeilijk bereikbare groepen blijven per definitie moeilijk bereikbaar.

Die onzekerheid maakt fysieke investeringen niet verkeerd en sociale projecten niet automatisch beter. Ze kan wel invloed hebben op de manier waarop bestuurders en organisaties keuzes ervaren. Zichtbare, planbare resultaten passen gemakkelijker in begrotingen, beleidsnota’s en politieke termijnen dan kleine, langdurige experimenten waarvan vooraf niet duidelijk is hoeveel mensen daadwerkelijk worden geholpen.

Prestige als mogelijke systeemprikkel

Daar komt mogelijk een tweede mechanisme bij: prestige. Tilburg heeft de LocHal, Groningen het Forum, Utrecht Neude en Den Bosch Huis73. Moderne bibliotheken zijn niet alleen functionele voorzieningen maar ook visitekaartjes voor een stad. Dat hoeft helemaal geen verkeerde motivatie te zijn. Een aantrekkelijke openbare ruimte kan maatschappelijke waarde hebben en een stad mag trots zijn op mooie publieke gebouwen.

Het risico ontstaat wanneer zichtbaarheid en maatschappelijke waarde te gemakkelijk samenvallen. Een druk bezocht gebouw levert onmiddellijk foto’s, bezoekersaantallen en positieve reacties. De maatschappelijke opbrengst van iemand die na een eenvoudige cursus jaarlijks geld bespaart, zelfstandiger wordt of nieuwe inkomsten weet te genereren is veel minder gemakkelijk zichtbaar.

Daarmee is niet gezegd dat prestige de Bossche besluitvorming rond Huis73 heeft bepaald. Dat zou uit deze analyse niet kunnen worden afgeleid. Het is een bredere hypothese over publieke besluitvorming: zichtbare infrastructuur heeft van nature een bestuurlijk voordeel boven langzaam, onzeker en nauwelijks fotogeniek sociaal rendement.

Honderd jaar later dezelfde basisvraag

Het honderdjarig bestaan van de Volksuniversiteit Den Bosch biedt daarom meer dan een gelegenheid voor een jubileum. In 1926 was de vraag welke kennis mensen nodig hadden die nauwelijks toegang hadden tot onderwijs en maatschappelijke ontwikkeling. De samenleving van 2026 is totaal anders, maar kansen, handelingsvermogen en mentale ruimte zijn nog steeds ongelijk verdeeld.

De arbeider van 1926 bestaat niet meer in dezelfde vorm. De oorspronkelijke gedachte achter de Volksuniversiteit hoeft daarmee niet verdwenen te zijn. Zij kan juist opnieuw relevant worden wanneer niet het oude cursusprogramma maar de oude missie centraal staat: kennis beschikbaar maken waar zij niet vanzelf terechtkomt.

De vergelijking met Huis73 hoeft daarbij geen wedstrijd tussen twee instellingen te worden. Interessanter is de spiegel die beide modellen elkaar voorhouden. De moderne bibliotheek laat zien hoeveel maatschappelijke functies een gevestigde publieke instelling kan opnemen wanneer haar traditionele rol verandert. De Volksuniversiteit laat zien hoe lastig het is een activiteit te organiseren wanneer de beoogde deelnemers niet vanzelf komen en de kosten grotendeels door de gebruiker moeten worden gedragen.

Daarmee blijft na deze serie vooral een algemene vraag over:

Als we vandaag opnieuw mochten beginnen, zonder bestaande gebouwen, instituties, financieringsvormen en gewoontes, hoe zouden we publieke middelen dan verdelen over leren, cultuur, praktische vaardigheden en maatschappelijke ontwikkeling?

Er hoeft helemaal niet uit te komen dat de huidige verdeling verkeerd is. Het zou wel interessant zijn haar opnieuw inhoudelijk te kunnen uitleggen, in plaats van alleen vast te stellen dat zij historisch zo is gegroeid. Honderd jaar Volksuniversiteit Den Bosch lijkt me een mooie aanleiding om dat te doen. Een monument hoeft tenslotte niet van steen te zijn.

Verantwoording
Historische gegevens over de Volksuniversiteit Den Bosch zijn gebaseerd op historische publicaties over de instelling. De beschrijving van de huidige financiële ontwikkeling is gebaseerd op interne cijfers, waarbij bewust geen recente absolute bedragen of gedetailleerde resultaten zijn opgenomen. De berekening van de meerambitie van Huis73 komt uit de eerdere delen van deze serie en betreft een indicatieve bierviltjesberekening. Interpretaties over institutionele positie, zichtbaarheid, prestige en bestuurlijke prikkels zijn hypotheses van de auteur op persoonlijke titel en geen standpunt van Volksuniversiteit Den Bosch of haar bestuur.
KEN JE IEMAND MET EEN BAND MET DE VU?

Stuur het jubileum door

Help ons oud-cursisten, oud-docenten en andere betrokkenen te bereiken.